pompoenen

Mijn buurman is een Nederlander.

Zijn pompoenen zijn groter dan de mijne. Mijn literaire productie is groter dan die van hem. Of deze feiten met kwaliteit te maken hebben, durf ik te betwijfelen. Ik heb nooit van zijn pompoenen geproefd en hij schrijft niet – ik ben er zelfs niet helemaal zeker van of hij kan lezen, maar dat doet niet ter zake. Waar ik wel zeker van ben, is dat het irrelevant is me te meten met hem.

Vlamingen en Nederlanders vergelijken blijkt nochtans bon ton te zijn de laatste tijd. En wanneer we de resultaten van al dat wikken en wegen bekijken, heeft Nederland steevast de hoofdvogel geschoten. In de strijd tussen Vlaamse en Nederlandse columnisten bijvoorbeeld, is die hoofdvogel zelfs voorzien van topsportachtige blingbling. Of betere verloning ook betere kwaliteit impliceert, daar heb ik opnieuw mijn twijfels bij. Maar goed, ik ken dan ook niets van voetbal.

Dat ook de Nederlandse auteurs victorie mogen kraaien in het legendarische duel der lage landen, verwondert mij meer. Ten eerste omdat ik vind dat vergelijkende literatuurstudies niet samen te vatten zijn in kant noch wal rakende oneliners. Ten tweede omdat de huidige Vlaamse literaire generatie van een gigantisch kaliber is (ik zou een nagenoeg eindeloze namenlijst kunnen typen van Vlaamse auteurs die de laatste jaren prachtige, relevante, rijke – misschien zelfs geëngageerde – romans hebben geschreven en ik zou zelfs Roderik Six in die lijst kunnen opnemen). Ten derde omdat een goede roman een goede roman is en niet vergeleken hoeft te worden met soortgenoten. Ten slotte omdat de jury in deze zich heeft laten verleiden tot de aloude Vlaamse gewoonte om alles wat een ander doet beter te vinden.

Er bestaat geen twijfel over de kwaliteit van de hedendaagse Nederlandse literatuur, maar die boven de Vlaamse plaatsen en die laatste dan ook nog eens veralgemenend beschimpen, dat is nergens voor nodig. Tenzij de columnist daarvoor een muldertje opstrijkt natuurlijk.

Die gedachte borrelde vanavond in mij op wanneer ik door de tuin wandelde en ik wou wel eens weten wat mijn buurman ervan dacht. Maar toen ik hem bekeek, wist ik dat er bij hem heel andere zaken borrelen en we richtten samen zwijgzaam onze tuinslangen naar de pompoenplantjes.

Effe wachte… (pizza)

Over

Wij, burgers van europa
Lyrische inleidingen

Preambules voor de Europese Grondwet door Joost Baars, Korneel De Rynck, Vicky Francken, Lamia Makaddam, Xavier Roelens, Sander Tordoir, Ernst van den Hemel, Ton van ’t Hof en Andries Zoutendijk

Wij bedrijvers van wiskunde, wetenschap, kunst en andere liefde,

zijn opgesloten in ons eigen verstand, willen wel kritisch,
maar niet koppig worden gevonden, geven elkaar daarom steeds
opnieuw ‘een kans’. Sluiten we elkaar met een verbodsbord op,
dan alleen zodat er later nog eens iemand vrijgelaten wordt.

(Vicky Francken)


MOEILIJK.

Een moeilijk boekje vond ik het. Omdat ik maar niet kon beslissen of ik het nu “mooi en voor de hand liggend” moest vinden, of “- door de verwijzingen onder de oppervlakte – uitdagend”. Ik ben natuurlijk maar een “leek” die genealogisch “thuis is in de geschiedenis en actualiteit van Europa”. Ik gebruik de woorden uit Korneel De Rynck’s korte toelichting bij zijn preambule.
En moeilijk is de tekst van Ernst van den Hemel (voor wie zuiver lyrische inleidingen verwacht: deze is van het minder lyrische type).


MOOI.

Mooi is het hoe Xavier Roelens aan verschillende passanten op de Brusselse grote markt vraagt om zijn gedicht neer te pennen. En hoe hij daar ook foto’s van maakt. En hoe kloten dan plots klöten worden. En hoe ook Willem zijn duit in het zakje doet (of was het een toevallige look-alike?).
Mooi is het ook hoe diezelfde Xavier Roelens het over een “ingevroren, vacuümverpakte pizza quattro stagione” heeft, terwijl de benodigdheden en de bereidingswijze ervan door Korneel De Rynck uit de doeken worden gedaan.


BEKLEMMEND.

Zo typeert Joost Baars het gedicht van Lamia Makaddam. En hij heeft nog gelijk ook. En ik durf de typering zelfs doortrekken naar enkele passages in zijn gedicht (een bewerking van de vertaling van het gedicht ‘America’ van Allen Ginsberg).
“Europa dit is niet misselijk”


INTERESSANT.

Hoe Ton van ’t Hof zich buigt over de Holocaust en de ondergang van het christelijk geloof:
“Wellicht? is de wortel: men = denken.”
Waarop Sander Tordoirs Europeanos antwoordt: “Certainly”.


KORT EN KRACHTIG.

Want, zoals Andries Johannes Zoutendijk dat stelt, “Een preambule schrijven is een ernstige zaak”.


LEUK.

Is uiteindelijk het weinig betekenende maar goed bedoelde adjectief dat ik bij dit boekje wens te plakken. Een lectuur die nog eens laat stilstaan bij de eenheidsgedachte, die hier en daar wat belangrijk is tracht samen te vatten en die filosofische voorzetten tracht te geven naar mogelijke lacunes. Maar nog meer dan dit alles is “Wij, burgers van Europa” een bewijs dat politiek en creativiteit elkaar niet hoeven uit te sluiten. (En dat is hier in België toch een opluchting.)

>
>
>
Meer info over de bundel bij deBuren.

vijftig jaar

*enkele bedenkingen bij flarf*

In 1959 schreef Irving Howe: “It was as if our guidelines of social thought and literary conventions were being erased.” En in datzelfde jaar verwittigde Brion Gysin dat “writing is fifty years behind painting”.

In een recent artikel over what the internet is doing to our brains, parafraseert Nicholas Carr Maryanne Wolf: “we tend to become “mere decoders of information.” Our ability to interpret text, to make the rich mental connections that form when we read deeply and without distraction, remains largely disengaged.”

Vijftig jaar “evolutie” om tot dezelfde slotsom te komen, om te zien dat “vervlakking en fragmentarisering van de samenleving” geen naoorlogse kwaaltjes waren, dat we blijkbaar niet anders kunnen dan achter de feiten aan lopen. Writing zal in zekere zin steeds behind zijn, maar het is belangrijk dat er voortdurend pogingen worden ondernomen om inhaalbewegingen te maken, of om op zijn minst mee te zijn.

Flarf is slechts een reactie op een veranderende wereld (ideeën, gewoontes, beelden, poëzie, leescultuur, …), zoals ook onder andere de moderne en postmoderne poëzie dat was/is.

Flarf gebruikt skimming als basis voor het schrijfproces en wil daarmee een antwoord bieden op (onder andere) de achteruitgang van onze brains.

Flarf heeft inderdaad avant-gardistische trekjes en wil vernietigen om te vernieuwen. Maar hoe ver kan de vernietiging gaan? Tabula rasa en dan maar nieuwe krijtlijnen tekenen? Dat zou in een ideale wereld de beste oplossing zijn. Hoewel. Wij schrijven toch allemaal met een al dan niet aanzienlijke (poëtische) bagage.

Een idee als the worst poem ever written, met verzen als

Yeah, mm-hmm, it’s true
big birds make
big doo! I got fire inside
my “huppa”-chimp(TM)
gonna be agreessive, greasy aw yeah god
wanna DOOT! DOOT!
Pffffffffffffffffffffffffft! hey!

geldt als een prachtig startpunt voor een nieuwe kijk op poëzie, voor een nieuwe aanpak, een nieuwe poëtica. Maar hoe lang kun je slechte poëzie lezen? Wanneer is zij haar doel voorbij? Het spreekt voor zich dat de us flarf de fase van taalafvalmuseum achter zich heeft gelaten, wat niet wegneemt dat elementen van automutilatie inderdaad regelmatig terugkeren.

In dat opzicht verschilt Nederlandstalige flarf niet veel van de Engelstalige. Er wordt geëxperimenteerd met personages, met anekdotiek, met vernieling, met meertaligheid, met afval. En dat de nl flarf (meer dan de us variant) op zoek lijkt te gaan naar “het verschil tussen schijn en werkelijkheid”, heeft volgens mij te maken met de manier waarop wij in ons taalgebied naar poëzie kijken.

Want flarf is en blijft poëzie. In beginfase verschilt de flarfdichter niet van de traditionele dichter: hij vertrekt van een beeld, een citaat, een woord, van de inspiratie van het moment, al dan niet binnen een voor hem belangrijk thema. Waar de traditionele dichter voornamelijk datamining toepast op zijn brein, zal de flarfdichter zijn startpunt gebruiken in zoekmachines op het www. Het spel van connecties, connotaties, intertekstualiteit, verschuivingen en permutaties, … (technieken van de traditionele dichter), wordt dan gespeeld met wat beschikbaar is in de paginacontent van de zoekmachine. De flarfdichter gaat in andermans clutter op zoek naar wat relevant (of juist irrelevant) is voor de creatie van zijn gedicht. Of, zoals Ron Silliman schreef: “This seems to me the essence of flarf, frankly, the whole idea of asking what is “appropriate” is to suggest that the definitions thereof might be in flux.”

Vijftig jaar na de eerste postmodernistische symptomen, zal de eerste Nederlandstalige flarfbloemlezing verschijnen. Benieuwd wat er in 2059 volgt. En hoe ze (we?) dat zullen noemen.

over schrijven voor het te laat is

U leest wat ik schrijf.

Niet wat ik schreef, wat chronologisch gezien beter in het plaatje zou passen, maar wat ik nu, op dit eigenste moment, op papier zet.

U leest wat ik schrijf omdat wat ik schreef passé is; het is niet meer actueel en misschien zelfs achterhaald. En nochtans ben ik niet bij u, althans niet in fysieke vorm. U ziet mij niet schrijven. U hebt de indruk dat ook na het woord dat u nu aan het lezen bent de tekst gewoon doorgaat, maar dat is een illusie. U gaat ervan uit dat ik schreef, dat ik mijn tekst netjes afgewerkt aan de redactie overmaakte en dat u nu (en om het even wanneer later) kan lezen wat ik verwoordde. Maar niets is minder waar.

Ik schrijf terwijl u leest. En mocht u een vermoeden hebben van wat het vervolg van deze tekst is, dan zal dit bij een vermoeden blijven. Zelfs ìk weet niet wat ik zal schrijven. En maar goed ook. Want als ik vooraf al weet wat ik zal schrijven, is wat ik schrijf oud nieuws en kan ik u niet vertellen wat u wenst te weten. Ik laat alles afhangen van het moment, dat is de enige manier om voorspelbaarheid te vermijden. De enige manier om mee te zijn, hip en in. De manier bij uitstek om mijn lezers – u – te blijven boeien.

Want geef nu toe: zou ù lezen wat ik schreef, wat voorbij is, wat gearchiveerd kan worden? Dat dacht ik al. U wilt op de hoogte zijn. U wilt nù lezen zodat u nù kunt weten. U hoeft niet te lezen dat het daarnet regende, dat vertelde het gewicht van de natte trui op uw schouders u al. U weet al dat wat voorbij is niet meer terugkomt en dat wat nog komen moet nog niet geweest kan zijn. U wilt lezen wat u nog niet weet. Een daarom schrijf ik. Om u te informeren. Om u te laten lezen wat u wilt lezen.
U leest wat ik schrijf omdat u net op deze pagina beland bent. Omdat u in de inhoudsopgave een onderwerp zag dat u wel beviel en omdat u, het paginanummer in gedachten, op zoek ging naar het door mij geschrevene. Omdat hier niet het geschrevene, maar wat ik schrijf staat.

U leest wat ik schrijf omdat u nu wilt lezen wat ik schrijf en niets anders.

U leest wat ik schrijf en het bevalt u.

Tenzij u historicus bent natuurlijk. Maar dan leest u morgen gewoon deze tekst opnieuw.

SloPo

Ongeveer een maand geleden brak Dale Smith op zijn blog een lans voor Slow Poetry:

“Instead of thinking of poetry as an instrument of transformation, we might start by using it as a means of understanding our own capacities of mind and feeling.

“SP provides a method of observing slower movements of thought and conversation with diverse minds in other fields to help extend reflection on our situation today as global systems come under increasing attack from outside and whithin.”

Wat volgt is een interessante discussie over wat de SloPo-beweging, geïnspireerd op onder andere het slow food initiatief, zou kunnen worden:

“The key goals of Slow Poetry are to invent work for audiences extended through space and time along various geopolitical and spiritual coordinates

“SloPo de-emphasizes meaning – a traditional concern for students of literature – in order to stress how certain written works operate whithin a given situation for a particular audience.

“Poets, typically, focus energy on the text. SloPo shifts emphasis to the production of communication in other contexts too.”

In één van de posts, wordt SloPo langs flarf gelegd:

“Like Flarf, Slow Poetry resists making arguments about form. Unlike it, however, SP stresses knowledge of communication whithin specific situations.”

Waarop K Silem Mohammad reageert:

“…all poetry is slow poetry, practically by definition.

“I guess I’m not entirely seeing how SloPo defines anything fundamentally different from the actual current state of material poetic culture at the level of production and distribution”

En Dale Smith verklaart:

“I’m trying to rethink what poetry is going to look like in a world that is currently beginning a phase of contraction unlike anything we’ve seen in our lifetime.”

Und so weiter.

Stof genoeg om over na te denken, al zie ook ik niet onmiddellijk het vernieuwende aan SloPo. Ik lees het voorlopig meer als een voortbouwen op postmodernistische grondvesten, in een poging alles te vatten in een multidimensionaal morphend taalnet.

Meer dan als een nieuwe strekking, zie ik het bijvoorbeeld als mogelijke piste om de grenzen van flarf te overschrijden: vertrekkend van een veelheid aan gelinkte tekstflarden een alles(zo-veel-mogelijk)omvattend meerstemmig gedicht opbouwen.

Als dat geen ambitieus idee is.