twee manieren

Er zijn twee acceptabele beweegredenen om poëzie te schrijven: de wil om iets bij te dragen en de wil om te vermaken.

Iets willen bijdragen is altijd lovenswaardig. Het is een daad van altruïsme, van bezorgdheid om de medemens en diens welzijn. Het is het schenken van een stukje cape in deze barre taaltijden, het uitdelen van goedgekruide voedselpakketten, het bouwen van een opvangtehuis voor slachtoffers van sloganstormen. Barmhartig. Dat is de dichter die een poging onderneemt iets bij te dragen met zijn verzen. Maar waaraan draagt de dichter iets bij? En wanneer is zijn poging geslaagd? Krijgt hij dan een eervolle vermelding? Een prijs? Felicitaties van de jury?

Met ‘bijdragen’ bedoel ik dat een dichter in de eerste plaats dient te schrijven met het besef dat alles al geschreven is en dat herhaling overbodig is. Waarmee ik zelf natuurlijk één van de grootste schrijfclichés herhaal. Gelukkig is dit geen gedicht. Gedichten zijn bovendien te gecondenseerd om anderen erin na te bootsen (met uitzondering van de pastiche of de parodie natuurlijk, die als genre net dàt als objectief hebben), noch op vlak van stijl, noch wat de woordenschat (of bij uitbreiding het taalgebruik) betreft. Een bijdrage leveren betekent dan al zoveel als: originele verzen schrijven. Nu is het wellicht niet erg dat idolen geïmiteerd worden, zolang die aanbiddersrijmelarij maar veilig blijft opgeborgen in de an(n)alen van de desbetreffende dichter. Voor authentiek eigen materiaal geldt het devies schrijven is schrappen. Aan een gedicht moet gevijld worden. Er moet in geknipt en geplakt worden. Het moet groeien. Het moet het gedicht worden en niet een gedicht. Het moet. Tenminste, als de dichter schrijft vanuit de wil om iets bij te dragen. Anders mag het.

De lezer willen vermaken is echter niet minder lovenswaardig dan het bovenstaande. De ondergang van de zich steendood vervelende mensheid is immers iets wat niemand wil meemaken (hoewel). Daarom is het aan te moedigen dit onheil te bestrijden op allerhande interessante manieren: multimediale groepszelfmoordprojecten die tijdens de seizoensfinale slechts geënsceneerde miljoenenformats blijken, vlaamse friet, waalse friet, french fries, extreme makeover earth edition, of poëzie (laten we het voor alle veiligheid bij dat laatste houden). Brood en spelen, daar draait het toch om. Een dichter zou verzen moeten schrijven die tot de verbeelding spreken. Woorden, strofes, teksten die met plezier gelezen worden – of met walging, met tegenzin, met de glimlach, met de woedefrons. Werken die iets doen met de lezer (het maakt niet uit wat). Of met de schrijver, want je hoeft natuurlijk niet steeds anderen te vermaken.

Een beweegreden die voor mij minder interessant of uitdagend is: nood aan emotionele uitlaatkleppen (hoewel dit – zij het uiterst zelden en steeds na lange rijpprocessen – in prachtige gedichten kan resulteren). Ik heb het in ieder geval niet zo begrepen op zeemzoete, met parfums en smaakversterkers aangedikte snikverzen. Shit happens. Smaken verschillen. Andere, verfoeilijke motieven zijn: de wil om te kopiëren, de wil om interessant te zijn en de wil. Dit hoeft geen commentaar. Wie het doet snapt wat ik bedoel. Wie het doet. Wordt dringend verzocht hiermee op te houden. Het is niet vermakelijk. Het draagt nergens toe bij.

inspiratie

Kun je een gedicht schrijven wanneer je niets te vertellen hebt?

Dat vroeg ik me af terwijl ik op de trein het niets dat mensen steeds te luid te vertellen hebben probeerde te negeren. Natuurlijk kun je dat. Als de doordeweekse pendelaar dagelijks tot twee keer toe uit volle borst onzin zonder pointe kan uitkramen, kan een dichter ook verzen schrijven die uit het niets ontspruiten. ‘Uit het niets’, daar bedoel ik mee: niet geënt op een idee, een beeld, een traditie of een geniale inval (die een combinatie van het vorige kan zijn, of ook niet), niet als gevolg van een gebeurtenis, niet om een of andere emotie op papier te wringen. Omdat hij een gedicht wil schrijven. Niets meer, niets minder. Het schrijven als onweerstaanbare drang. Wit blad. Inkt of toetsenbord. Uit het niets.

Natuurlijk heeft iedereen altijd wel zogezegd iets te vertellen, van de semi-korte samenvatting van opgeslorpte tv-rommel tot de lotgevallen van familie en vrienden, van pesterijverhalen tot koopkrachtstories. Ieder zijn relaas. En de meeste van deze redevoeringen bestaan omdat de spreker het gevoel heeft te moeten spreken. Alleen is wat hij zegt dikwijls nonsens. Vervelende verhalen die enkel door de verteller zelf interessant gevonden worden. De aangesprokene tracht beleefd, maar met geveinsde belangstelling, te knikken, terwijl de onvrijwillige toehoorder zuchtend met de ogen draait en het volume van de mp3-speler (nog) een tikje hoger zet of – en dat gebeurt nog het vaakst – het gezegde probeert te overstemmen. Gevolg: een kakofonie van nietszeggende veelpraat. Verschrikkelijk.

In dat opzicht wordt de hierboven gesuggereerde parallel met de dichter die uit het niets schrijft gevaarlijk. Doortrekken betekent zoveel als zeggen dat het resultaat van deze schrijftechniek nonsens is. Het wordt iets als: ik ben dichter, ik heb op dit moment niets te vertellen, maar ik moet en zal een gedicht schrijven (het gegeven kan trouwens toegepast worden in om het even welke kunsttak). Is het resultaat van dit experiment dan even grote onzin als het treingelul? Mogelijk. Maar een dichter die zichzelf, correctie: zijn werk (een dichter mag zichzelf nooit serieus nemen bedenk ik nu – dat is: moet zichzelf en daarbij ook zijn werk natuurlijk voortdurend in vraag stellen), een beetje serieus neemt, kan er ook een boeiende draai aan geven. Of: een gedicht dat uit het niets ontstaat, kan een interessant gedicht zijn.

Een dichter werkt (lees: speelt, experimenteert) namelijk meer dan de doorsnee pendelaar met taal. Zo wordt ‘uit het niets’ eigenlijk ‘uit de taal’. Je kunt immers tegelijk niets te vertellen hebben en toch met taal werken. De nadruk wordt hier dus gelegd op taal en haar toepassing en niet op het verhaal of op de boodschap. Het is iets als de schilder die met zijn verf aan de slag gaat zonder te weten hoe hij zijn doek wil vullen. Alleen is verf een substantie die op zichzelf bestaat, terwijl taal zoals wij ze gebruiken – om te communiceren, om gedichten te schrijven – slechts bestaat dankzij op zichzelf bestaande substanties (waarmee ik in feite mijn eerder vermelde definitie van ‘uit het niets’ tegenspreek, maar daar ga ik misschien later nog eens dieper op in). Hoe dan ook leiden dergelijke taaluitstappen vaak tot interessante resultaten – zonder te beweren dat een interessant resultaat ook een geslaagd resultaat is.

Voor gedichten die in eerste instantie toch op onzin uitdraaien, is er steeds de achteraf toe te kennen betekenis. Na verloop van tijd beginnen de verzen ergens toe te leiden en mits enige aanpassingen, wat toevoegen en wat weglaten, transformeren en permuteren, ontstaat er stilaan een gedicht, een tekst die steeds verder van de nonsens komt te staan. Deze techniek is spijtig genoeg niet toepasbaar op de vertogen in de overvolle treincompartimenten. Dat wordt dus zuchtend ogen draaien en oren overbelasten. Of. Iedereen overstemmen met gedichten zonder boodschap (en hopen dat je heelhuids je bestemming bereikt).