over schrijven voor het te laat is

U leest wat ik schrijf.

Niet wat ik schreef, wat chronologisch gezien beter in het plaatje zou passen, maar wat ik nu, op dit eigenste moment, op papier zet.

U leest wat ik schrijf omdat wat ik schreef passé is; het is niet meer actueel en misschien zelfs achterhaald. En nochtans ben ik niet bij u, althans niet in fysieke vorm. U ziet mij niet schrijven. U hebt de indruk dat ook na het woord dat u nu aan het lezen bent de tekst gewoon doorgaat, maar dat is een illusie. U gaat ervan uit dat ik schreef, dat ik mijn tekst netjes afgewerkt aan de redactie overmaakte en dat u nu (en om het even wanneer later) kan lezen wat ik verwoordde. Maar niets is minder waar.

Ik schrijf terwijl u leest. En mocht u een vermoeden hebben van wat het vervolg van deze tekst is, dan zal dit bij een vermoeden blijven. Zelfs ìk weet niet wat ik zal schrijven. En maar goed ook. Want als ik vooraf al weet wat ik zal schrijven, is wat ik schrijf oud nieuws en kan ik u niet vertellen wat u wenst te weten. Ik laat alles afhangen van het moment, dat is de enige manier om voorspelbaarheid te vermijden. De enige manier om mee te zijn, hip en in. De manier bij uitstek om mijn lezers – u – te blijven boeien.

Want geef nu toe: zou ù lezen wat ik schreef, wat voorbij is, wat gearchiveerd kan worden? Dat dacht ik al. U wilt op de hoogte zijn. U wilt nù lezen zodat u nù kunt weten. U hoeft niet te lezen dat het daarnet regende, dat vertelde het gewicht van de natte trui op uw schouders u al. U weet al dat wat voorbij is niet meer terugkomt en dat wat nog komen moet nog niet geweest kan zijn. U wilt lezen wat u nog niet weet. Een daarom schrijf ik. Om u te informeren. Om u te laten lezen wat u wilt lezen.
U leest wat ik schrijf omdat u net op deze pagina beland bent. Omdat u in de inhoudsopgave een onderwerp zag dat u wel beviel en omdat u, het paginanummer in gedachten, op zoek ging naar het door mij geschrevene. Omdat hier niet het geschrevene, maar wat ik schrijf staat.

U leest wat ik schrijf omdat u nu wilt lezen wat ik schrijf en niets anders.

U leest wat ik schrijf en het bevalt u.

Tenzij u historicus bent natuurlijk. Maar dan leest u morgen gewoon deze tekst opnieuw.

twee manieren

Er zijn twee acceptabele beweegredenen om poëzie te schrijven: de wil om iets bij te dragen en de wil om te vermaken.

Iets willen bijdragen is altijd lovenswaardig. Het is een daad van altruïsme, van bezorgdheid om de medemens en diens welzijn. Het is het schenken van een stukje cape in deze barre taaltijden, het uitdelen van goedgekruide voedselpakketten, het bouwen van een opvangtehuis voor slachtoffers van sloganstormen. Barmhartig. Dat is de dichter die een poging onderneemt iets bij te dragen met zijn verzen. Maar waaraan draagt de dichter iets bij? En wanneer is zijn poging geslaagd? Krijgt hij dan een eervolle vermelding? Een prijs? Felicitaties van de jury?

Met ‘bijdragen’ bedoel ik dat een dichter in de eerste plaats dient te schrijven met het besef dat alles al geschreven is en dat herhaling overbodig is. Waarmee ik zelf natuurlijk één van de grootste schrijfclichés herhaal. Gelukkig is dit geen gedicht. Gedichten zijn bovendien te gecondenseerd om anderen erin na te bootsen (met uitzondering van de pastiche of de parodie natuurlijk, die als genre net dàt als objectief hebben), noch op vlak van stijl, noch wat de woordenschat (of bij uitbreiding het taalgebruik) betreft. Een bijdrage leveren betekent dan al zoveel als: originele verzen schrijven. Nu is het wellicht niet erg dat idolen geïmiteerd worden, zolang die aanbiddersrijmelarij maar veilig blijft opgeborgen in de an(n)alen van de desbetreffende dichter. Voor authentiek eigen materiaal geldt het devies schrijven is schrappen. Aan een gedicht moet gevijld worden. Er moet in geknipt en geplakt worden. Het moet groeien. Het moet het gedicht worden en niet een gedicht. Het moet. Tenminste, als de dichter schrijft vanuit de wil om iets bij te dragen. Anders mag het.

De lezer willen vermaken is echter niet minder lovenswaardig dan het bovenstaande. De ondergang van de zich steendood vervelende mensheid is immers iets wat niemand wil meemaken (hoewel). Daarom is het aan te moedigen dit onheil te bestrijden op allerhande interessante manieren: multimediale groepszelfmoordprojecten die tijdens de seizoensfinale slechts geënsceneerde miljoenenformats blijken, vlaamse friet, waalse friet, french fries, extreme makeover earth edition, of poëzie (laten we het voor alle veiligheid bij dat laatste houden). Brood en spelen, daar draait het toch om. Een dichter zou verzen moeten schrijven die tot de verbeelding spreken. Woorden, strofes, teksten die met plezier gelezen worden – of met walging, met tegenzin, met de glimlach, met de woedefrons. Werken die iets doen met de lezer (het maakt niet uit wat). Of met de schrijver, want je hoeft natuurlijk niet steeds anderen te vermaken.

Een beweegreden die voor mij minder interessant of uitdagend is: nood aan emotionele uitlaatkleppen (hoewel dit – zij het uiterst zelden en steeds na lange rijpprocessen – in prachtige gedichten kan resulteren). Ik heb het in ieder geval niet zo begrepen op zeemzoete, met parfums en smaakversterkers aangedikte snikverzen. Shit happens. Smaken verschillen. Andere, verfoeilijke motieven zijn: de wil om te kopiëren, de wil om interessant te zijn en de wil. Dit hoeft geen commentaar. Wie het doet snapt wat ik bedoel. Wie het doet. Wordt dringend verzocht hiermee op te houden. Het is niet vermakelijk. Het draagt nergens toe bij.