inspiratie

Kun je een gedicht schrijven wanneer je niets te vertellen hebt?

Dat vroeg ik me af terwijl ik op de trein het niets dat mensen steeds te luid te vertellen hebben probeerde te negeren. Natuurlijk kun je dat. Als de doordeweekse pendelaar dagelijks tot twee keer toe uit volle borst onzin zonder pointe kan uitkramen, kan een dichter ook verzen schrijven die uit het niets ontspruiten. ‘Uit het niets’, daar bedoel ik mee: niet geënt op een idee, een beeld, een traditie of een geniale inval (die een combinatie van het vorige kan zijn, of ook niet), niet als gevolg van een gebeurtenis, niet om een of andere emotie op papier te wringen. Omdat hij een gedicht wil schrijven. Niets meer, niets minder. Het schrijven als onweerstaanbare drang. Wit blad. Inkt of toetsenbord. Uit het niets.

Natuurlijk heeft iedereen altijd wel zogezegd iets te vertellen, van de semi-korte samenvatting van opgeslorpte tv-rommel tot de lotgevallen van familie en vrienden, van pesterijverhalen tot koopkrachtstories. Ieder zijn relaas. En de meeste van deze redevoeringen bestaan omdat de spreker het gevoel heeft te moeten spreken. Alleen is wat hij zegt dikwijls nonsens. Vervelende verhalen die enkel door de verteller zelf interessant gevonden worden. De aangesprokene tracht beleefd, maar met geveinsde belangstelling, te knikken, terwijl de onvrijwillige toehoorder zuchtend met de ogen draait en het volume van de mp3-speler (nog) een tikje hoger zet of – en dat gebeurt nog het vaakst – het gezegde probeert te overstemmen. Gevolg: een kakofonie van nietszeggende veelpraat. Verschrikkelijk.

In dat opzicht wordt de hierboven gesuggereerde parallel met de dichter die uit het niets schrijft gevaarlijk. Doortrekken betekent zoveel als zeggen dat het resultaat van deze schrijftechniek nonsens is. Het wordt iets als: ik ben dichter, ik heb op dit moment niets te vertellen, maar ik moet en zal een gedicht schrijven (het gegeven kan trouwens toegepast worden in om het even welke kunsttak). Is het resultaat van dit experiment dan even grote onzin als het treingelul? Mogelijk. Maar een dichter die zichzelf, correctie: zijn werk (een dichter mag zichzelf nooit serieus nemen bedenk ik nu – dat is: moet zichzelf en daarbij ook zijn werk natuurlijk voortdurend in vraag stellen), een beetje serieus neemt, kan er ook een boeiende draai aan geven. Of: een gedicht dat uit het niets ontstaat, kan een interessant gedicht zijn.

Een dichter werkt (lees: speelt, experimenteert) namelijk meer dan de doorsnee pendelaar met taal. Zo wordt ‘uit het niets’ eigenlijk ‘uit de taal’. Je kunt immers tegelijk niets te vertellen hebben en toch met taal werken. De nadruk wordt hier dus gelegd op taal en haar toepassing en niet op het verhaal of op de boodschap. Het is iets als de schilder die met zijn verf aan de slag gaat zonder te weten hoe hij zijn doek wil vullen. Alleen is verf een substantie die op zichzelf bestaat, terwijl taal zoals wij ze gebruiken – om te communiceren, om gedichten te schrijven – slechts bestaat dankzij op zichzelf bestaande substanties (waarmee ik in feite mijn eerder vermelde definitie van ‘uit het niets’ tegenspreek, maar daar ga ik misschien later nog eens dieper op in). Hoe dan ook leiden dergelijke taaluitstappen vaak tot interessante resultaten – zonder te beweren dat een interessant resultaat ook een geslaagd resultaat is.

Voor gedichten die in eerste instantie toch op onzin uitdraaien, is er steeds de achteraf toe te kennen betekenis. Na verloop van tijd beginnen de verzen ergens toe te leiden en mits enige aanpassingen, wat toevoegen en wat weglaten, transformeren en permuteren, ontstaat er stilaan een gedicht, een tekst die steeds verder van de nonsens komt te staan. Deze techniek is spijtig genoeg niet toepasbaar op de vertogen in de overvolle treincompartimenten. Dat wordt dus zuchtend ogen draaien en oren overbelasten. Of. Iedereen overstemmen met gedichten zonder boodschap (en hopen dat je heelhuids je bestemming bereikt).